// VLIF-steun in de Vlaamse paardenhouderij

Landbouwers moeten voldoen aan een aantal zeer strenge eisen rond productkwaliteit, leefmilieu, dierenwelzijn, hygiëne enzovoort. Deze regels dwingen hen om hun bedrijf en methodes aan te passen.
Om hen hierbij te helpen, levert de Vlaamse Overheid steun aan startende landbouwers of aan bedrijven die nieuwe investeringen doen. Dit alles gebeurt via het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF)1.

Subsidiabele activiteiten

Het gaat hier om landbouwsubsidies. Voor de paardenhouderij betekent dit dat alleen officiële ondernemingen met landbouwactiviteiten in aanmerking komen, waarvan de bedrijfsleiders een minimum inkomen uit strikt agrarische activiteiten verwerven en eventueel een beperkt inkomen verwerven uit andere activiteiten. Het VLIF beschouwt daarbij enkel onderstaande paardenactiviteiten als zuivere landbouw:

  • paardenfokkerij
  • hengstenhouderij
  • productie van paardenmelk
  • africhten van zelfgefokte veulens
  • slachtdieren

Deze activiteiten kunnen aangevuld worden met diversificatie (niet-zuivere landbouw) zoals:

  • exploitatie van een paardenpension
  • kunstmatige inseminatie
  • hoevetoerisme
  • thuisverkoop van zelfgemaakte landbouwproducten2

Let wel, de strikt agrarische activiteiten moeten de hoofdzaak van het bedrijf blijven. Diversificatie mag nooit de bovenhand nemen op het bedrijf. Zaken die noch als zuivere landbouw, noch als diversificatie aanzien worden, kunnen nooit op VLIF-steun rekenen. Het gaat hier bijvoorbeeld om maneges, trainingscentra, therapiefaciliteiten, en dergelijke meer.

In dit dossier

Wil u één van de subsidiabele activiteiten uitoefenen of combineert u andere zuivere landbouwvormen met paardenhouderij (bv. traditionele landbouw – melkvee, akkerbouw, slachtvee …)? Lees dan verder aan welke voorwaarden u moet voldoen om steun te bekomen. Daarnaast bespreken we voor welke concrete uitgaven subsidies aangevraagd kunnen worden en onder welke vorm u deze kan verkrijgen.

Indien u na het doornemen van het dossier besluit om VLIF-steun aan te vragen, raden wij u aan om de gedetailleerde informatie en wetteksten door te nemen op www.vlaanderen.be/VLIF. De goedkeuring en hoeveelheid van de steun is immers afhankelijk van een aantal specifieke bijkomende tijdelijke bepalingen.
» Klik hier om naar de VLIF-website te gaan.


Presentatie Luc Uytdewilligen

Ter gelegenheid van de Vlaamse Sectordag Paarden lichtte het afdelingshoofd van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds, Luc Uytdewilligen, deze steunmaatregel nader toe. U vindt deze presentatie hieronder. Opgelet: Deze presentatie dateert van 2009. Sindsdien werden heel wat wijzigingen doorgevoerd. Voor de meest recente informatie leest u best de overige pagina's van het dossier door.

Presentatie: Ondernemen in de paardensector en VLIF-steun | Luc Uytdewilligen (Sectordag 2009):   Lees online   of   Download

Voetnoten

  1. Het VLIF is een onderdeel van het Programma voor Plattelandsontwikkeling in uitvoering van de Europese verordening inzake steun voor plattelandsontwikkeling. Deze is van toepassing voor de periode van 1 januari 2007 tot 13 december 2013. De regelgeving kan u terugvinden op www.vlaanderen.be/VLIF.

  2. Er is geen kant-en-klare lijst van activiteiten die door VLIF aanvaard worden als diversificatie. In deze tekst worden de zaken die het dichtst aanleunen bij de paardenhouderij opgesomd. Algemeen kan u stellen dat het geen diversificatie betreft indien de activiteit niet vermeld wordt in de schema’s op pagina 12 en 17 van dit document of in het Besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2012 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2025 betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw (te raadplegen op www.vlaanderen.be/VLIF).



» Volgende pagina

1. Voorwaarden voor het bekomen van VLIF-steun als paardenhouder

Om aanspraak te kunnen maken op VLIF-steun moeten de aanvrager en het bedrijf in de eerste plaats aan onderstaande voorwaarden voldoen. Klik op de voorwaarden om meer te weten te komen.

  1. U bent officieel landbouwer 
  2. U kan bewijzen dat u vakbekwaam bent
  3. Uw bedrijfsomvang is voldoende groot
  4. U bent correct vergund en respecteert de minimumlonen
  5. Uw boekhouding is in orde
  6. U investeert minimaal 15.000 euro
  7. U bent gelegen en gedomicilieerd in het Vlaamse Gewest

 

Indien al deze punten in orde zijn betekent dit niet dat u automatisch steun krijgt. De uitgaven waarvoor u subsidies aanvraagt moeten immers in lijn liggen met welbepaalde VLIF-vereisten. Over dit laatste volgt meer in het vervolg van deze tekst.
 

1.1 U bent officieel landbouwer

De landbouwer mag een natuurlijke persoon, een samenuitbating of een vennootschap zijn. Een landbouwer is gekend bij de afdeling Markt- en Inkomensbeheer van het Agentschap voor Landbouw en Visserij en wordt gedefinieerd als een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die een bedrijf exploiteert met alleen activiteiten inzake land- of tuinbouw en land- of tuinbouwverbreding. Volgende rechtspersonen (landbouwers) kunnen in aanmerking komen voor VLIF-steun:

  • De handelsvennootschap, vermeld in artikel 2, §2, van het Wetboek van Vennootschappen, met uitzondering van het economisch samenwerkingsverband, die aan volgende voorwaarden voldoet:
    • De exploitatie van een land- of tuinbouwbedrijf en de verhandeling van de eigen voortgebrachte producten is een doelstelling van de vennootschap.
    • Alle zaakvoerders of bestuurders zijn natuurlijke personen.
    • Voor alle zaakvoerders of bestuurders is de beroepsactiviteit in de vennootschap de belangrijkste activiteit.
    • De zaakvoerders of bestuurders worden onder de vennoten aangewezen en bezitten elk minstens 25% van de aandelen;
    • Alle aandelen zijn op naam en zijn ingeschreven in het aandelenregister.
    • De vennootschap is opgericht voor onbepaalde duur of voor ten minste twintig jaar.
  • De landbouwvennootschap, vermeld in artikel 2, §3, van het Wetboek van Vennootschappen.

Opmerking: Vennootschappen moeten aan een aantal bijzondere voorwaarden voldoen. Ook sociale instellingen kunnen zich onder bepaalde voorwaarden laten rangschikken als landbouwer. Lees hierover meer op de website van Landbouw en Visserij.
» Klik hier om naar de VLIF-website te gaan.

Daarnaast moet elke bedrijfsleider, beherende vennoot, zaakvoerder of bestuurder:

  • aangesloten zijn bij een sociale kas voor zelfstandigen,
  • bijdragen betalen aan het sociale zekerheidsstelsel van de zelfstandigen op basis van zijn of haar beroepsinkomsten als zelfstandig landbouwer (dit kan zowel in hoofd- als in bijberoep).
  • het Bestuur der Directe Belastingen van de Federale Overheidsdienst op de hoogte houden van de beroepsinkomsten uit zijn of haar landbouwactiviteiten.

Er worden tenslotte strikte eisen gesteld aan arbeidstijd en inkomsten:

  • Voor de bedrijfsleiders, zaakvoerders en bestuurders van het bedrijf dat VLIF-steun aanvraagt, is de landbouwactiviteit hun belangrijkste activiteit. Dit betekent bijvoorbeeld dat deze persoon niet meer dan halftime elders tewerk gesteld kan zijn.
  • Via het aanslagbiljet van de belastingen van iedere bedrijfsleider, zaakvoerder, bestuurder of beherende vennoot moet aangetoond worden dat hij of zij minimum 12.000 euro belastbare beroepsinkomsten haalt uit de landbouwactiviteit.
    • Van het belastbaar beroepsinkomen uit de landbouwactiviteit moet minimum 50% komen uit de zuivere landbouw. Zoals hierboven aangehaald gelden slechts beperkte paardenactiviteiten als zuivere landbouw (paardenfokkerij, hengstenhouderij, productie van paardenmelk, africhten van zelfgefokte veulens en slachtdieren). Inkomen uit zuivere landbouw van andere sectoren geldt uiteraard ook.
    • Van het belastbaar beroepsinkomen uit de landbouwactiviteit mag maximaal 50% uit landbouwdiversificatie komen waaronder de exploitatie van een paardenpension of KI-centrum, hoevetoerisme, thuisverkoop van hoeveproducten, …
  • Uit het aanslagbiljet van de belastingen van iedere bedrijfsleider blijkt dat hij of zij minder dan 12.000 euro belastbaar beroepsinkomen haalt uit andere activiteiten dan de landbouwactiviteit.
  • De bedrijfsleiders, beherende vennoten, zaakvoerders of bestuurders mogen geen ouderdomspensioen genieten.

Let goed op indien u maar net aan deze criteria voldoet. Onder normale economische omstandigheden moet aan deze permanente voorwaarden steeds voldaan worden. VLIF-steun bent u helemaal kwijt vanaf het moment dat deze condities – zelfs tijdelijk – niet meer voldaan zijn.

1.2 U kan bewijzen dat u vakbekwaam bent

Bij een eerste vestiging als landbouwer (als natuurlijke persoon door overname van bedrijfbekleding of door overname van aandelen van een rechtspersoon met enkel landbouwactiviteiten) wordt de vakbekwaamheid aangetoond door:

  • een diploma van een basisopleiding landbouw of aanverwant (hoger secundair, hoger niet-universitair of universitair onderwijs), of
  • een installatieattest + een minimum van 2 jaar ervaring, of
  • een diploma van een basisopleiding die door de minister van landbouw gelijkwaardig gesteld wordt met de hierboven vermeldde studies + ervaring. Deze erkenning kan bekomen worden door een brief aan de bevoegde minister te richten.

Deze voorwaarden zijn ook van toepassing bij de oprichting van een bedrijf of wanneer de bedrijfsleider op het tijdstip van de aanvraag om investeringssteun minder dan 2 jaar gevestigd is als landbouwer.

Als een landbouwer, die reeds meer dan 2 jaar gevestigd is, steun aanvraagt voor een bedrijfsinvestering zijn onderstaande zaken voldoende om subsidies te verkrijgen.

  • een diploma van een niet-landbouwgerichte basisopleiding (hoger secundair, hoger niet-universitair of universitair onderwijs) + een minimum van 2 jaar ervaring, of
  • een diploma van een basisopleiding die door de minister van landbouw gelijkwaardig gesteld wordt met de hierboven vermeldde studies + ervaring, of
  • 3 jaar ervaring en een naschoolse landbouwopleiding van minimum 100 uren, of
  • 10 jaar ervaring.

Ervaring geldt niet indien de landbouwer deze opdeed voordat hij of zij 16 werd. Werk verricht in hobbylandbouw of als gelegenheidswerkkracht wordt evenmin aanvaard.

Het Installatie-attest

Veel paardenhouders kunnen geen traditionele landbouwstudies en jarenlange werkervaring voorleggen. Zij zijn dan ook verplicht het installatieattest (ook gekend als bedrijfsleidersvorming of B-cursus) te behalen. Hiertoe doorlopen zij onderstaande traject:
 
  1. Algemene starterscursus Type A + examen: Deze cursus handelt rond algemene landbouwwetgeving, bedrijfseconomie, vergunningen, …
  2. Bijzondere starterscursus Type B– Keuze Paardenhouderij + examen: Deze specialisatielessen bekijken verzorging van paarden, veiligheid, anatomie, exterieurbeoordeling, wetgeving, bedrijfsbeheer specifiek toegepast op de paardenonderneming enzovoort.
  3. Stage (2 keer 10 dagen) + stageverslag: De student selecteert een landbouwbedrijf met focus op paardenhouderij waar hij of zij 20 dagen op managementniveau kan bijleren.
  4. Installatieproef: Om af te studeren dient men te slagen voor een schriftelijk staatsexamen (kennis) en een mondelinge proef. Deze laatste bestaat uit een gedetailleerde analyse van het stagebedrijf of de onderneming die men zelf wil opstarten.

Personen met een landbouwdiploma van minstens hoger secundair niveau hebben geen installatieattest nodig. Hun collega’s met land-of tuinbouwgerichte diploma’s van een lager niveau wel, maar zij mogen enkele onderdelen laten vallen. De starterscursussen zijn trouwens toegankelijk voor alle geïnteresseerden en een geschikte inleiding voor nieuwe paardenliefhebbers.



Centra voor starterscursussen en begeleiding
Praktijkcentrum voor Land- en Tuinbouw vzw
Zuidstraat 25
8800 Roeselare
Tel. 051 24 58 84
Fax 051 24 23 68
Bart Dochy, waarnemend voorzitter
Landwijzer vzw
Quellinstraat 42
2018
Tel. 03 281 56 00
Fax. 03 281 56 01
Koen Dhoore, algemeen coördinator
   
Nationaal Agrarisch Centrum vzw
H. Consciencestraat 53 A
8800 Roeselare
Tel. 051 26 08 30
Fax 051 24 25 39
Geert Clarebout, directeur
Nationaal Centrum voor Beroepsvorming
in de Landbouw vzw

Diestsevest 40
3000 Leuven
Tel. 016 28 61 10
Fax 016 28 61 19
Geert Mertens, secretaris


Meer info over het installatieattest

Afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling | Landbouwvorming
Ellips (6de verdieping) | Koning Albert II-Laan 35, bus 40, 1030 Brussel
Jean Steenberghen | Tel. 02 552 78 92 | Fax 02 552 78 71 |


1.3 Uw bedrijfsomvang is voldoende groot

Het VLIF wenst bewijzen van de omvang van uw bedrijf. Enkel indien men hier positief over oordeelt, kan u steun bekomen.

Om rendabel te zijn moet het bedrijf een voldoende grote bedrijfsomvang hebben. Deze minimale bedrijfsomvang is vastgesteld op een bruto bedrijfsresultaat van minimum 50.000 euro per bedrijfsleider.

Het bruto bedrijfsresultaat van het landbouwbedrijf kan ofwel vereenvoudigd berekend worden door de oppervlakte van de teelten en de aantallen dieren te vermenigvuldigen met een gemiddeld brutobedrijfsresultaat per eenheid en het resultaat te verhogen met inkomensvervangende steun, ofwel met controleerbare boekhoudkundige gegevens van het laatste boekjaar. Onder brutobedrijfsresultaat wordt het verschil verstaan tussen de bedrijfsopbrengsten en operationele kosten op de wijze zoals beschreven in de bijlage bij het ministerieel besluit van 1 oktober 2007 betreffende bepalingen en minimumstandaard voor de bedrijfseconomische boekhouding in de landbouw, dienstig als basis voor de door de Vlaamse overheid gesteunde adviseringssystemen.

Opmerking: Het VLIF hanteert voor het begrip bedrijfsomvang totaal andere criteria dan de eisen die gesteld worden door ruimtelijke ordening (bouwvergunningen). Vermijd dus verwarring.

1.4 U bent vergund en respecteert de minimumlonen

Uiteraard vereist VLIF-steun de aanwezigheid van alle nodige documenten en de naleving van de wetgeving. U beschikt over een stedenbouwkundige- en milieuvergunning. U respecteert de wetten rond dierenwelzijn en hygiëne. U beschikt over de nodige productierechten (nutriëntenemissierechten (NER-D’s). Indien van toepassing moet u een vergunning voorleggen voor waterwinning of logiesverstrekking …

1.5 Uw boekhouding is in orde

Tijdens de volledige steunperiode (5 jaar voor roerende investeringen en 10 jaar voor onroerende investeringen of bij een vestiging als jonge landbouwer) dient u een bedrijfseconomische boekhouding bij te houden. De bedrijfseconomische boekhouding kan vervangen worden door:
 

  • een boekhouding die gevoerd wordt door handelsvennootschappen of vennootschappen die de rechtsvorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen, door middel van een stelsel van boeken en rekeningen met inachtneming van de regels van dubbel boekhouden
  • een bewijskrachtige fiscale boekhouding waarbij in de loop van het boekjaar de verschillende goederen- en geldstromen systematisch en regelmatig worden geregistreerd en jaarlijks een begin- en eindinventaris, een balans en een gedetailleerde resultatenrekening opgesteld worden.

1.6 U investeert minimum 15.000 euro

Als u overheidssteun aanvraagt voor een bepaalde uitgave moet deze uitgave minstens 15.000 euro (excl. BTW) bedragen. Investeringsdossiers van kleinere budgetten worden niet ontvankelijk verklaard. Daarenboven moeten de kosten in overeenstemming zijn met de baten. Men subsidieert met andere woorden enkel economisch verantwoorde investeringen.

1.7 U bent gelegen en gedomicilieerd in het Vlaamse gewest

Men kan een VLIF-aanvraag indienen als:

  • de landbouwer, beherende vennoten, zaakvoerders, bestuurders of afgevaardigde bestuurders in België gedomicilieerd zijn.
  • de hoofdzetel en maatschappelijke zetel in België liggen.

Voor de uitvoering van werken op onroerende goederen gelegen in het Vlaamse Gewest kan het VLIF aangesproken worden, ook al ligt de hoofdzetel van het bedrijf niet in Vlaanderen. Voor investeringen in machines en dergelijke moet de hoofdzetel wel in Vlaanderen gevestigd zijn. De aankoop van gronden komt nooit in aanmerking voor subsidies.

» Volgende pagina

2. Uitgaven die in aanmerking komen voor VLIF-steun

Investeringen van bestaande agrarische bedrijven kunnen voor 10 tot 40 % gesubsidieerd worden.

  • Tot 38% steun voor investeringen specifiek voor de biologische landbouw (bijvoorbeeld de productie van bio-paardenmelk volgens een lastenboek)
  • Tot 28% steun voor investeringen gericht op een landbouw met verbrede doelstellingen, duurzame landbouw of reconversie van het bedrijf
  • Tot 18% steun voor investeringen in onroerend goed, gericht op een structuurverbetering
  • Tot 8% steun voor overige investeringen, gericht op een structuurverbetering

Op de website van het beleidsdomein landbouw en visserij kan u een volledige lijst vinden van alle subsidiabele investeringen.
» Klik hier om de lijst te bekijken. 

De paardenhouderij zal voornamelijk beroep kunnen doen op tot 18% steun voor:

  • het bouwen, verbouwen en uitrusten van stallen en trainingsgebouwen voor paarden;
  • de aanleg van een buitenpiste;
  • het bouwen, verbouwen en uitrusten van paardenpensions en KI-centra, … (indien dit een nevenactiviteit is).

Daarnaast zal u in de lijst (zie ook de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2012 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2025 betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw) een aantal andere mogelijk toepasselijke investeringen terugvinden, bv.:

  • systemen voor waterzuivering zoals de opvang en het hergebruik van hemel- en beregeningswater
  • stalverluchtingssystemen
  • nieuwe duurzame verwarmingsinstallaties
  • bedrijfsgebouwen voor het artisanaal verwerken en verkoopsklaar maken van land- en tuinbouwproducten (streekproducten)
  • bedrijfsgebouwen voor het rechtstreeks verkopen van eigen producten aan consumenten of de detailhandel (met inbegrip van de opslagplaats, de koelingruimte en het materiaal noodzakelijk voor het uitoefenen van deze activiteit)
  • het educatief toegankelijk maken van landbouwbedrijvigheid, hoevetoerisme en dagrecreatie
  • de inrichting van bedrijfsruimten voor zorgvragers
  • bouwen van bijkomende mestopslagcapaciteit op het veebedrijf
  • erfverharding
  • aankoop van bestaande bedrijfsgebouwen van minder dan 15 jaar oud
  • systemen voor beperking, recyclage of rationeel beheer van afvalwater
  • machines en materieel (met uitzondering van tweedehandstoestellen)
  • zonneboilers
  • …

De aankoop van fokdieren wordt niet gesubsidieerd.

Afhankelijk van de investering waarvoor u steun aanvraagt zal u mogelijk aan een aantal extra voorwaarden moeten voldoen.

Ook hier herinneren we eraan dat bovenstaande investeringen in hoofdzaak gericht moeten zijn op zuivere landbouw (paardenfokkerij, hengstenhouderij, productie van paardenmelk, slachtdieren, opleiden van zelf gefokte veulens) of in nevenactiviteit op diversificatie zoals de uitbating van paardenpensions en KI-centra, hoevetoerisme, thuisverkoop van zelfgemaakte landbouwproducten, …

» Volgende pagina

3. Grootte van het steunbedrag

Het bedrag van de subsidie wordt vastgelegd per bedrijfsleider en beperkt tot maximaal 1.000.000 euro subsidiabele investeringen in de periode 2007 tot 2013, waarbij per bedrijf maximaal 4.000.000 euro subsidiabele investeringen aanvaard kunnen worden. Daarnaast bestaat er een maximumbedrag per veestandplaats of m2 bedrijfsgebouw. De maximumbedragen vindt u op de website van het beleidsdomein landbouw en visserij (bijlage van het ministerieel besluit van 18 juli 2011 tot wijziging van diverse bepalingen van het ministerieel besluit van 24 november 2025 betreffende steun aan de investeringen en de installatie in de landbouw).
» Klik hier voor de normbedragen voor de bepaling van het maximumbedrag.
 

Voor de zuiver agrarische paardenhouderij onthouden we dat maximaal 285 euro per m2 wordt aanvaard als subsidiabele investering voor het bouwen, verbouwen en inrichten van stallen met boxen (categorie 18%). Daarnaast kan tot 180 euro per m2  gesubsidieerd worden voor een rijhal (eveneens 18%).  Ook hier kan u mogelijk extra zaken ontdekken specifiek van toepassing op uw eigen bedrijf (bv. het educatief toegankelijk maken van het landbouwbedrijf voor een breder publiek – bv. hoevetoerisme).
 

Het steunbedrag voor investeringen is naast deze zaken ook afhankelijk van specifieke bijkomende voorwaarden.  


» Volgende pagina

4. Vormen van VLIF-steun

4.1 Rentesubsidies en kapitaalpremies

Indien nieuwe vestigingen of investeringen aan bestaande bedrijven gefinancierd worden met een lening kan het VLIF jaarlijks, en voor een vastgestelde periode, een gedeelte van de rentelast betalen. Deze rentesubsidie bedraagt maximaal 3 of 4%, al naargelang de aard van de investering, voor een periode tussen 5 en 10 jaar.

Wanneer investeringen in bestaande bedrijven gefinancierd worden met krediet, toegestaan bij een door het VLIF erkende kredietinstelling, kent het VLIF aanvullend op de rentesubsidie, die geactualiseerd wordt, steeds een kapitaalpremie toe omdat een bepaald steunvolume (gaande van 18 tot 38 %) nooit exact met rentesubsidie uitgeput kan worden. Wanneer de investeringen volledig gefinancierd worden met eigen middelen wordt de steun integraal onder vorm van een kapitaalpremie toegekend. Ook wanneer het investeringen betreft die in aanmerking komen voor 8% steun, zal steeds de steun volledig onder de vorm van een kapitaalpremie uitbetaald worden, ongeacht of de investeringen gefinancierd worden met een krediet.

De kapitaalpremies worden in twee gelijke delen uitbetaald. De betaling van de eerste helft volgt na de controle van de investeringsbewijzen en de gestelde voorwaarden. De betaling van de tweede helft gebeurt één jaar na de eerste betaling. Een premie kleiner dan 1.000 € wordt in één keer uitbetaald.

Vanaf 1 januari 2010 bedraagt de totale gekapitaliseerde vestigingssteun maximaal 70.000 euro (cfr. besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2025 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2025 betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw). Het maximumbedrag is hetzelfde ongeacht de aard van het bedrijf of de concrete vestigingskosten. De vorm van de steun verschilt naargelang het een vestiging betreft als landbouwer-natuurlijke persoon (in een eenmanszaak of in een maatschap) of een vestiging als mandataris van een landbouwer-rechtspersoon.

Bij een vestiging als landbouwer-natuurlijke persoon heeft de steun de vorm van:
  • een vestigingspremie van maximaal 50 % op de eerste 60.000 euro aanvaardbare vestigingskosten;
  • een rentesubsidie op de aanvaardbare vestigingskosten die het bedrag van 60.000 euro overtreffen. De rentesubsidie bedraagt maximaal 4 % gedurende 10 jaar met 1 jaar vrijstelling van kapitaalaflossing. Deze vrijstelling is van toepassing op een bedrag dat afhankelijk is van
    • het maximumbedrag aan vestigingssteun onder vorm van rente-subsidie
    • de periodiciteit
    • de vrijstelling
    • de actualisatievoet.

De gekapitaliseerde waarde van de rentesubsidie bedraagt ten hoogste 40.000 euro en alleen vestigingskosten die gefinancierd worden met krediet bij een erkende bank komen in aanmerking voor steun.

Bij een vestiging als beherende vennoot, zaakvoerder of bestuurder met de kwalificatie landbouwer van een landbouwer-rechtspersoon heeft de steun de vorm van:
  • een vestigingspremie van maximaal 50 % op de eerste 80.000 euro aanvaardbare vestigingskosten;
  • een rentesubsidie op de aanvaardbare vestigingskosten die het bedrag van 80.000 euro overtreffen. De rentesubsidie bedraagt maximaal 4 % gedurende 10 jaar met 1 jaar vrijstelling van kapitaalaflossing op een bedrag dat afhankelijk is van het maximumbedrag aan vestigingssteun onder vorm van rentesubsidie, de periodiciteit, de vrijstelling en de actualisatievoet. De gekapitaliseerde waarde van de rentesubsidie bedraagt ten hoogste 30.000 euro en alleen vestigingskosten die gefinancierd worden met krediet bij een erkende bank komen in aanmerking voor steun.


4.2 Overheidswaarborg

Als u een lening aangaat wil de bank er zeker van zijn dat u deze terugbetaalt. Daarom zal de bank waarborgen vragen zoals een hypotheek op uw woning of de persoonlijke borgstelling van de aanvrager of een derde. Toch beschouwt de bank ook deze niet steeds als voldoende.

Vaak kunnen ondernemers geen toereikende zekerheden bieden voor de grote bedragen die ze willen lenen, waardoor de bank de aanvraag afkeurt. In dat geval kan de overheid borg staan voor een deel van de leensom. De overheid zorgt er dan voor dat de bank geen schade ondervindt als u de rente en aflossing niet kan betalen. U blijft natuurlijk aansprakelijk voor het geleende bedrag.

Landbouwers met een VLIF-rentesubsudie kunnen voor de kredieten een aanvullende bankborgstelling vragen. De overheid verwacht dan wel dat alle andere mogelijkheden zijn uitgeput. Voor de borgstelling moet een bijdrage betaald worden.

» Volgende pagina

5. VLIF-steun aanvragen

Alle nodige documenten en contactgegevens voor VLIF-steunaanvragen kan u vinden bij het beleidsdomein Landbouw en Visserij op http://lv.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?id=1838#Hoe.
 

Indien u na het doornemen van het document besluit om VLIF-steun aan te vragen, raden wij u aan om de gedetailleerde informatie en wetteksten door te nemen op www.vlaanderen.be/VLIF. U kan eventueel contact opnemen met één van de buitendiensten ivm bijkomende vragen. De contactgegevens van de vindt u eveneens op de website. De goedkeuring en hoeveelheid van de steun is immers afhankelijk van een aantal specifieke bijkomende bepalingen.
» Klik hier om naar de VLIF-website te gaan.
 

Indien u een bedrijf wenst over te nemen, neemt u best de “Handleiding voor bedrijfsovername en land- en tuinbouw (vestiging)” van de Vlaamse Overheid door.


Laatste aanpassing: 08/01/2026 16:24:51 - Bannerfoto © Sven Cramer - photoXpress