// Regels voor het plaatsen van omheiningen en beplantingen
Volledig dossier printen of opslaan
Genereer printversie Exporteer naar PDF (geen afbeeldingen)Hier leest u op welke afstand van de perceelsgrens bomen en hagen aangeplant mogen worden, of u een bouwvergunning nodig heeft voor het plaatsen van volledig dichte afsluitingen en open omheiningen, wat uw rechten zijn als uw paarden ziek worden door het eten van overhangende takken of in de weide gewaaide zaden,...
» Volgende pagina
1. Afstand van beplantingen
Afstand van de scheidingslijn en hoogte van boomhagen
Plaatselijke gebruiken kan u navragen op de griffie van het Vredegerecht. Indien er plaatselijke gebruiken zijn, dient u ook de verkavelingsvoorschriften na te kijken. Indien die er niet zijn, mogen hoogstammige bomen op twee meter en andere bomen en levende hagen op een halve meter van de scheidingslijn geplant worden.
De afstand van de scheidingslijn tot aan de boom of de haag wordt zowel voor bomen als voor hagen gemeten vanaf het centrum van de stam tot aan de grenslijn.
Enkele bijkomende aandachtspunten:
- Voor bosaanplantingen in agrarisch gebied moet een afstand van 6 meter van de scheidingslijn gerespecteerd worden.
- Fruitbomen mogen als leibomen, aan elke kant van de muur tussen twee erven, geplant worden, zonder dat een afstand in acht genomen wordt.
- Voor bomen op openbaar domein van de overheid geldt een specifieke regelgeving, evenals voor bomen langs spoorwegen, waterwegen, autosnelwegen, gewestwegen en buurtwegen.
- Bomen in een haag moeten volgens algemeen gebruik kort gehouden worden tot op een maximumhoogte van 2 meter.
Hoog- of laagstam
In de rechtspraak zijn er zeer veel uitspraken over wat als hoogstam, laagstam of haag moet worden beschouwd. In praktijk is dat niet altijd duidelijk af te lijnen. Er wordt rekening gehouden met:- de aard van de beplanting (Kan de boomsoort effectief hoog worden?);
- de effectieve hoogte (Een volwassen hoogstam wordt minstens 2,5 tot 3 meter.);
- andere hinderlijke eigenschappen zoals giftigheid;
- de feitelijke toestand: (Is de boom reeds groot of wordt deze regelmatig gesnoeid);
- het al dan niet bestaan van effectieve hinder.
Kappen en rooien
De buur kan de rooiing eisen van bomen, hagen, heersters en struiken die op een kortere afstand geplant staan dan de wet bepaalt. Enkel de vrederechter kan dit beslissen en hij heeft daarbij een appreciatiebevoegdheid. Bij dergelijke dossiers bekijkt men steeds de concrete omstandigheden. Tevens zal nagegaan moeten worden of er geen sprake is van:
- verkrijgende verjaring: 30 jaar
- bestemming van de huisvader: Er stonden bomen op een perceel dat later verdeeld werd
- reeds gesloten overeenkomsten
Overhangende takken en doorschietende wortels
Indien de kruin of de takken van een boom of haag verder groeien dan de scheidingslijn, en deze dus over uw eigendom hangen, kan u uw buur verplichten de takken van zijn boom af te snijden. U mag dat niet zelf doen. Indien er takken te dicht bij de bovengrondse elektriciteitsleidingen hangen, wordt de eigenaar gevraagd te kappen. Doet hij dat niet binnen de maand dan kan het gewest, de gemeente of de vergunninghouder zelf kappen.
Degene op wiens erf wortels doorschieten mag ze daarentegen wel zelf weghakken (art. 37 Veldwetboek). Het recht om doorschietende wortels of overhangende takken te hebben kan nooit door verjaring verkregen worden.
» Volgende pagina
2. Omheiningen: Vergunningen en eigendomsgrenzen
Mits akkoord van beide eigenaars mogen afsluitingen op de perceelsgrens worden opgericht. Als er geen akkoord is, mogen ze tot op de uiterste grens van het eigendom worden geplaatst.
Hieronder ontdekt u voor welke volledig dichte afsluitingen en voor welke open omheiningen u al dan niet een bouwvergunning nodig heeft.
Afpaling
Indien de grenzen van uw eigendom bijvoobeeld niet duidelijk zijn, kan u deze samen met uw buur laten afpalen:Volledig dichte afsluitingen
Artikel 3, 9° stelt dat er geen vergunning nodig is voor de plaatsing van afsluitingen uit houten of kunststof palen met prikkel- of schrikdraad (weideafsluitingen). Ook de volgende afsluitingen mogen onder voorwaarden geplaatst worden zonder vergunning:
- Afsluitingen met een maximum hoogte van twee meter, die bestaan uit palen en draad of draadgaas, uit één betonplaat met een maximumhoogte van 40 cm en draad of draadgaas, opgericht om een goed af te sluiten: Op die afsluitingen mogen in de onmiddellijke omgeving (30 meter) van een vergund woongebouw constructies worden aangebracht ter bescherming van de privacy, zoals zeildoek, gevlochten kunststofstrips of rieten matten.
- Voortuinmuurtjes in metselwerk of andere voortuinafsluitingen met een maximale hoogte van 50 centimeter
- Poorten, geplaatst tussen twee kolommen met een maximale hoogte van 2,50 m
- Houten panelen met een maximale hoogte van twee meter, met een maximale lengte van tien meter per zijdelingse en achterste perceelsgrens, opgericht om een goed af te sluiten, en in de onmiddellijke omgeving (30 m) van een vergund woongebouw: Die panelen worden niet ter hoogte van de voortuin geplaatst. Onder onmiddellijke omgeving wordt verstaan: de ruimte gelegen binnen een straal van 30 meter van de uiterste grenzen van het woongebouw.
Deze vrijstellingen gelden niet:
- in ruimtelijk kwetsbare gebieden (zoals natuurgebied);
- in beschermde landschappen;
- in oeverzones;
- in een strook van 5 meter vanaf waterlopen.
Bovendien gelden de vrijstellingen enkel voor de afsluiting van gevormde huiskavels. Het is dus niet toegelaten om landbouwgronden die achter een woning gelegen zijn af te sluiten zonder vergunning. Bijgevolg is bijvoorbeeld een omheining met dichte houten panelen rond een weide wel vergunningsplichtig.
Let wel: Van vergunning vrijgestelde werken mogen enkel worden uitgevoerd als ze niet in strijd zijn met geldende reglementeringen zoals RUP’s (Ruimtelijk UitvoeringsPlan), BPA’s (Bijzonder Plan van Aanleg) en voorschriften van verkavelingsvergunningen.
In sommige van deze plannen werd uitdrukkelijk opgenomen dat bepaalde afsluitingen verboden zijn. U kan dit navragen bij uw gemeente.
Open omheiningen
Tot 21.10.2025 gold de vrijstelling van stedenbouwkundige vergunning, in agrarisch gebied in de ruime zin, voor open weideafsluitingen met een maximale hoogte van 2 meter, enkel voor open afsluitingen in draad of draadgaas en niet voor open houten afsluitingen. Het Besluit van 16 juli 2010 tot vrijstelling van de vergunningplicht werd gewijzigd door een Besluit van 9 september 2011, dat in werking trad op 21.10.2011, en dit specifiek met betrekking tot open afsluitingen in agrarisch gebied.Artikel 5, 2e van dit besluit werd aangepast zodat onder ‘open afsluitingen’ uitdrukkelijk vermeld wordt ‘open afsluitingen met houten dwarslatten’ zodat deze ook vrijgesteld worden van vergunning. Vooral voor paardenweiden was dit een belangrijke aanpassing, aangezien voorheen dergelijke houten afsluitingen niet onder de vrijstelling vielen. De maximale hoogte van 2 meter blijft behouden, net als de algemene voorwaarden voor de vrijstelling. Het moet uiteraard om een ‘open afsluiting’ gaan zodat ‘houten panelen’ dus niet onder de vrijstelling vallen.
Hagen
Voor het planten van hagen is geen stedenbouwkundige vergunning nodig. De te respecteren afstand wordt bepaald in voormeld art. 35 van het Veldwetboek (zie eerder).Opgelet: Een draadafsluiting die met klimop of een andere klimplant wordt begroeid, beschouwt men als een levende haag en kan dus slechts op een halve meter van de perceelsgrens geplaatst worden, tenzij mits akkoord van beide eigenaars.
» Volgende pagina
3. Onrechtmatige daad en burenhinder
Mits zich daaraan te houden zal men zijn buren erge schadegevallen besparen die men gemakkelijk kan voorzien. Zo zal het planten van een (uiterst giftige) taxushaag naast een weide waar dieren grazen – ook al respecteert men de afstand voorzien in het Veldwetboek – ongetwijfeld als foutief bestempeld worden. Dit betekent dat de planter aansprakelijk gesteld zal worden voor de door zijn daad veroorzaakte schade, waarbij hij ook veroordeeld zal worden de giftige haag te verwijderen. Bij foutief handelen heeft de schadelijder recht op volledig herstel van zijn schade.
Daarnaast kan het ook voorkomen dat zelfs een zorgzame, omzichtige burger, zonder enige “fout” te begaan, toch niet kan voorkomen dat zijn naburen schade lijden door een hinderverwekkende activiteit.
De theorie van de burenhinder gaat er van uit dat er een evenwicht dient te worden gerespecteerd, aangezien naburige eigenaars elk een gelijk recht op genot van hun eigendom hebben:
Daartoe moet er sprake zijn van “bovenmatige” hinder, d.w.z. hinder die de gewone hinder uit nabuurschap – het normale gedogen – overtreft en aldus het evenwicht verbreekt. De sanctie die gepaard gaat met burenhinder is een compensatie en geen volledig herstel. Vormen van burenhinder kunnen zijn: lawaai, stank, …
In deze problematiek is het niet overbodig te herinneren aan de regel: Beter een goede buur dan een verre vriend, …